Recent is een wetsvoorstel in consultatie gegaan over het resultaatgericht beschikken. Dit wetsvoorstel is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 8 oktober 2018. In die uitspraak is bepaald dat uit de beschikking voldoende duidelijk moet blijken waar de zorgvrager recht op heeft. In de uitspraak werd de resultaatgerichte beschikking aan de kant geschoven, omdat daarin onvoldoende duidelijkheid gegeven werd. Niet dat de uitspraak vervolgens betekende dat resultaatgericht beschikken helemaal van de baan was. Het was wel nodig dat in de beschikking voldoende concrete handvatten opgenomen werden om het resultaat vervolgens te kunnen beoordelen. Dat biedt rechtszekerheid aan de zorgvrager.

Meetbaar resultaat

Om dit duidelijker in de wet te vervatten, is een wetsvoorstel geschreven. Het wetsvoorstel ziet erop dat resultaatgericht beschikken onder voorwaarden mogelijk blijft. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de zorgvragers zorg en ondersteuning ontvangen die goed is afgestemd op de ondersteuningsbehoefte en kwalitatief goed is. Met invoering van het wetsvoorstel is het dan minder van belang of de beschikking is uitgedrukt in resultaat of in uren. Als bijvoorbeeld het resultaat meetbaar kan worden getoetst, dan hoeft het resultaat niet ook nog in uren weergegeven te worden. In het wetsvoorstel wordt ter illustrering het resultaat ‘schoon huis’ gebruikt. Dat resultaat kan vervolgens bereikt worden door een aantal uur schoonmaak toe te kennen. Het wetsvoorstel geeft aan dat de urentoekenning expliciet afhankelijk is van gemeentelijk beleid. Het resultaat kan, buiten de urentoekenning om, ook bereikt worden door in de beschikking op te nemen dat twee keer per week gestofzuigd wordt en de wc gereinigd en een keer per maand de ramen gezeemd worden.

Daarbij blijft de vraag naar de intensiteit van de schoonmaakwerkzaamheden staan. Twee keer per week de wc reinigen maakt het resultaat ‘schoon huis’ minder meetbaar dan een keer per week een half uur de wc poetsen. Het wetsvoorstel maakt de intensiteit van de voorzieningen niet duidelijk, terwijl in de genoemde CRvB-uitspraak juist daar het pijnpunt zat. Het is dus de vraag of dit wetsvoorstel alsnog voorziet in de nodige rechtszekerheid voor zorgvragers en aanbieders.

Rol van aanbieders

Voor aanbieders is dit wetsvoorstel vooral interessant wat hun rol hierin betreft. Zorgaanbieders kunnen samen met cliënten de ondersteuningsbehoefte formuleren. Het college van B&W van de gemeente behoudt de regie in het proces, maar de inbreng van de aanbieder kan zeker meegenomen worden. Het wetsvoorstel laat de mogelijkheid open om na de onderzoeksfase, waarin de behoefte van de zorgvrager wordt onderzocht, de aanbieder een rol te geven in de aanvraagfase van de beschikking. De aanvrager kan bijvoorbeeld door het college om advies gevraagd worden over de invulling van de ondersteuningsbehoefte. De uitkomst van de onderzoeksfase wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan en dit plan maakt na de aanvraagfase deel uit van de beschikking.

Deze versterkte rol van aanbieders kan de zorg voor hun cliënten zeker ten goede komen. De keerzijde hiervan is echter ook dat de maatregel kostbaar kan worden, omdat aanbieders dit er niet ‘gratis’ bij kunnen gaan doen.

Geschilbeslechting

Is een zorgvrager het niet eens met de manier waarop de aanbieder de zorg verleent, dan staat in plaats van een bezwaarmogelijkheid voor de zorgaanvrager een klachtprocedure open. De zorgaanvrager kan bij het college van B&W een klacht indienen als de zorg niet naar behoren wordt verleend of als het resultaat niet wordt behaald. Op die manier wordt een laagdrempelige manier aangeboden om onenigheid op te lossen. De gang naar de bestuursrechter wordt vervolgens mogelijk gemaakt door de beëindiging van de klachtprocedure te beschouwen als een besluit. In een eventuele bestuursrechtelijke procedure is voor de aanbieder plaats als partij. Het wetsvoorstel stelt echter ook voor dat de aanbieder niet veroordeeld kan worden om iets te doen of na te laten. Het college van B&W is de verweerder als de aanbieder wordt aangesproken. De reden hierachter is, zo blijkt uit het wetsvoorstel, dat het college hierdoor de ruimte krijgt om naar een oplossing te zoeken. Op die manier hoopt men kosten de reduceren en verdere conflicten te vermijden.

Consultatie

Aangezien veel gemeenten resultaatgericht beschikken, wenst de Minister het wetsvoorstel zo snel mogelijk in werking te laten treden. Het streven van de Minister is medio 2021. Het wetsvoorstel is nu nog in consultatie. Reacties kunnen tot 16 februari 2020 ingediend worden.

Internetconsultatie

Deel dit artikel

Expertises