Inleiding
In artikel 1:88 en 1:89 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de zogenaamde ‘toestemmingseis’ geregeld. Dit houdt in dat bij een huwelijk of een geregistreerd partnerschap de ene echtgenoot/geregistreerd partner aan de andere echtgenoot/geregistreerd partner voor bepaalde rechtshandelingen vooraf toestemming moet vragen. In artikel 1:88 BW is geregeld voor welke rechtshandelingen de toestemmingseis geldt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verkoop van de echtelijke woning, bovenmatige giften (die niet in een testament worden geregeld), borgstellingen en koopovereenkomsten op afbetaling die niet onder de normale uitoefening van een beroep of bedrijf vallen. Het gaat dus in alle gevallen om rechtshandelingen die van een behoorlijk gewicht zijn. In artikel 1:89 BW is geregeld dat, wanneer een voornoemde rechtshandeling zonder toestemming wordt verricht, de andere echtgenoot/geregistreerd partner deze rechtshandeling kan vernietigen. Daarmee kan de rechtshandeling dus worden teruggedraaid. De vraag is nu: geldt deze toestemmingseis ook voor samenwoners? De rechtbank Dordrecht gaf in een uitspraak van 19 december 2012, die op 7 mei jl. werd gepubliceerd, een antwoord op deze vraag.

Casus
Waar ging het om in deze zaak? Partijen, laten we ze A en B noemen, hebben een lange affectieve relatie en wonen sinds 1997 samen met een samenlevingscontract. Ze zijn dus noch getrouwd noch geregistreerd partner. A voert een bakkerij. Om deze bakkerij te kunnen financieren heeft is in 2010 tussen de bank en de bakkerij op basis van een kredietovereenkomst ruim € 465.000,- geleend. De bank heeft ter zekerheid van nakoming van deze overeenkomst door de bakkerij een recht van hypotheek op haar pand ten behoeve van de bank gevestigd. A heeft zich naast de bakkerij hoofdelijk verbonden voor deze schuld. Op een dag brandt de bakkerij helaas totaal af. De verzekeringspenningen worden helaas niet op tijd door de brandverzekeraar uitbetaald en in januari 2012 gaat de bakkerij failliet. Omdat de kredietovereenkomst door de brand het het volgende faillissement niet meer wordt nagekomen, vordert de bank van A betaling van de resterende schuld (na aftrek van de opbrengst van het bedrijfspand van ruim € 117.000,-) van ruim € 357.000,-. A kan dit niet ineens betalen. De bank legt daarom beslag op de woning van A en B. Hierop zit slechts een kleine overwaarde. Omdat dit de bank ook weinig oplevert wordt A door de bank voor de rechtbank Dordrecht gedagvaard tot betaling van het bedrag van ruim € 354.000,-, vermeerderd met rente en kosten. B vernietigt daarop de kredietovereenkomst met een beroep op art. 1:88 en 1:89 BW.

A verweert zich voor de rechtbank onder andere met een beroep op de toestemmingseis van art. 1:88 en 1:89 BW en stelt dat de kredietovereenkomst tussen de bank en de bakkerij, waarvoor A hoofdelijk aansprakelijk is, vernietigd is nu A’s partner B geen toestemming aan A heeft gegeven voor het aangaan van deze overeenkomst. A voert ook nog andere verweren, die ik hier niet zal bespreken. De kernvraag is nu: slaagt het beroep van A op de toestemmingseis van art. 1:88 en 1:89 BW?

Oordeel rechtbank Dordrecht
De rechtbank oordeelt dat A’s beroep op de (analoge toepassing van de) toestemmingseis van art. 1:88 en 1:89 BW niet slaagt. De reden hiervan is simpel. Voornoemde artikelen gelden, zoals we zagen, voor de situatie waarin partijen zijn gehuwd danwel een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. In dit geval zijn A en B ‘slechts’ samenwoners met een samenlevings-contract. Daarvoor geldt de toestemmingseis niet. Als het al zo zou zijn dat A de kredietovereenkomst zonder toestemming van B is aangegaan, dan maakt dit in dit geval niets uit. B hoefde haar toestemming op grond van de wet immers niet te geven. De kredietovereenkomst is dus niet door B rechtsgeldig vernietigd en bestaat daarmee nog onverkort. Dit leidt tot de conclusie dat A het gevorderde bedrag van ruim € 350,000,- plus een aanzienlijk bedrag aan proceskosten aan de bank moet betalen.

Conclusie
De in art. 1:88 en 1:89 BW opgenomen toestemmingseis geldt alleen bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap en daarmee niet voor samenwoners, ook niet als zij een samenlevingscontract hebben gesloten. De rechtbank bevestigt daarmee de heersende leer. Dit vonnis spreekt duidelijk de nogal eens gehoorde opvatting tegen dat het eigenlijk niet uitmaakt of je getrouw bent of samenwoont. Deze opvatting is onjuist en dit geval geeft van deze onjuistheid een duidelijke illustratie. Laat u daarom, voordat u besluit tot een bepaalde vorm van samenleving, van tevoren juridisch goed voorlichten. De familierechtadvocaten van BVD-advocaten kunnen u deze voorlichting op duidelijke wijze geven zodat u weet waar u beiden aan toe bent.

Bron: Rechtbank Dordrecht, 19 december 2012, HA ZA 12-2086, LJN:BY6972, met nt. Prof. mr. B.E. Reinhartz.

Deel dit artikel

Expertises