medewerker-jaco-van-den-brink-bvd-advocaten-overzicht.jpg

Jaco van den Brink

Een bestemmingsplan mag alleen worden vastgesteld als zeker is dat een Natura 2000-gebied niet wordt aangetast, aldus art. 19 Natuurbeschermingswet. Dat lijkt eenvoudig op te lossen voor de gemeenteraad: je neemt gewoon een bepaling op met als strekking dat alles wat door de Natuurbeschermingswet wordt verboden, ook door het bestemmingsplan wordt verboden. Het College let daarop bij omgevingsvergunningen. Zo is direct art. 19 Natuurbeschermingswet afgedekt. Grote stappen, snel thuis. Toch?
 

Gebieden waarop de Natuurbeschermingswet van toepassing is, zijn voor de gemeenteraad een juridisch mijnenveld en het toetsen van een bestemmingsplan vereist specialisme op dat terrein.

Helaas voor de raden: het afstemmen van een bestemmingsplan op het natuurbeschermingsrecht is geen sinecure, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 6 augustus 2014, zaaknr.: 201207794/1/R4). Gebieden waarop de Natuurbeschermingswet van toepassing is, zijn voor de gemeenteraad een juridisch mijnenveld en het toetsen van een bestemmingsplan vereist specialisme op dat terrein.

De betreffende gemeenteraad had een bestemmingsplan vastgesteld voor een gebied waarbinnen deels een Natura 2000-aanwijzing gold. Uit onderzoeken was niet helemaal duidelijk geworden of de agrarische bedrijvigheid waaraan het plan de ruimte bood, niet een verslechterend effect kon hebben op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Daarmee dreigde het plan dus in de knel te komen met de Natuurbeschermingswet. Het leek de raad echter verstandiger om in voorkomende gevallen per geval te beoordelen of sprake was van natuurverstoring en in die gevallen de vereiste grenzen te stellen. Daarom werd in het plan de bepaling opgenomen dat al het gebruik van gronden waarvoor vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is vereist, en die vergunning er niet is, gold als ‘strijdig gebruik’ (strijdig met het bestemmingsplan). Verder werd het College opgedragen om bij aanvragen van omgevingsvergunningen tevens te toetsen aan criteria uit de Natuurbeschermingswet.

De Raad van State zet hier echter grote rode strepen door. De Natuurbeschermingswet wijst namelijk de bestuursorganen aan die bevoegd zijn om de daarin opgenomen regels toe te passen. De gemeenteraad (dus niet B&W) moet beoordelen of activiteiten die door het bestemmingsplan worden geregeld,  een verslechterend effect op natuurwaarden kunnen hebben. De minister of GS, (dus niet B&W) moeten beoordelen of een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet verleend kan worden. Feitelijk had echter de betreffende gemeenteraad in het plan ook aan B&W opgedragen deze beoordelingen te verrichten en zo nodig op te treden. Beoordelings- en handhavingsbevoegdheden bij normen uit de Natuurbeschermingswet waren zodoende bij meerdere organen tegelijkertijd neergelegd. Daarmee wordt het wettelijk stelsel ‘op onaanvaardbare wijze doorkruist’, aldus de Raad van State.

De gemeenteraad moest dus een plan maken waarin de agrarische bedrijvigheid door middel van concrete schaalnormen zodanig was gereguleerd dat het bestemmingsplan geen aantasting van de natuurwaarden mogelijk maakte.

De Raad van State heeft dus duidelijke piketpaaltjes geslagen waar het gaat om bevoegdheden van verschillende organen. En dat is in het omgevingsrecht geen overbodige luxe.

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie

medewerker-jaco-van-den-brink-bvd-advocaten-contact.jpg

Expertises