Leanne Kirpestein-Spierings

8 min.

Als ondernemer ben je gewend vooruit te kijken en financiële keuzes te maken die gunstig zijn voor jou en je onderneming. Misschien heb je als directeur-grootaandeelhouder (DGA) in het verleden pensioen opgebouwd in je eigen B.V. Wat ooit een fiscaal aantrekkelijke keuze was, kan bij een echtscheiding echter tot ingewikkelde discussies leiden. Want wat gebeurt er met de pensioenaanspraken van je ex-partner als de B.V. onvoldoende liquide middelen heeft? Kun je dan volstaan met de constatering dat het geld er niet is, of wordt ook gekeken naar de manier waarop die financiële situatie is ontstaan? Een recent arrest van het Gerechtshof Amsterdam geeft aanleiding om bij deze vragen stil te staan.

Hoe zit het met pensioen in eigen beheer?

Sinds 1 april 2017 kan een DGA geen nieuw pensioen meer opbouwen in zijn eigen B.V. Voor het pensioen dat op dat moment al was opgebouwd, gold een overgangsregeling. DGA’s konden dit pensioen afkopen met een belastingkorting, omzetten in een oudedagsverplichting (ODV) of premievrij laten voortbestaan. Voor afkoop of omzetting was de schriftelijke instemming van de (ex-)partner nodig.

Niet iedere DGA heeft destijds van deze mogelijkheden gebruikgemaakt. Daardoor staan ook nu nog premievrije pensioenverplichtingen op de balans van BV’s. Zolang de DGA getrouwd blijft, hoeft dat niet direct tot problemen te leiden. Bij een echtscheiding moet echter worden vastgesteld welk deel van het pensioen aan de ex-partner toekomt en hoe haar of zijn aanspraken worden veiliggesteld.

Op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) heeft de ex-partner in beginsel recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Bij pensioen in eigen beheer kan dit betekenen dat het voor de ex-partner bestemde deel buiten de risicosfeer van de B.V. moet worden gebracht. Zo wordt voorkomen dat de pensioenrechten van de ex-partner afhankelijk blijven van de manier waarop de DGA de onderneming voert. Dit wordt ook wel afstorting genoemd.

In de praktijk is afstorting niet altijd eenvoudig. Pensioenverzekeraars bieden hiervoor vaak geen passend product meer aan. De Hoge Raad oordeelde daarom in 2022 dat in zo’n geval moet worden gezocht naar een andere oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan het recht op pensioenverevening en die fiscaal aanvaardbaar is. Een mogelijke oplossing is afstorting in een eigen pensioenvennootschap van de ex-partner.

Wat speelde er in deze zaak?

Terug naar de uitspraak. Na een huwelijk van ruim 25 jaar gingen een DGA en zijn echtgenote uit elkaar. De vrouw verzocht om haar aandeel in het opgebouwde pensioenkapitaal – bijna € 294.000 – af te storten in haar eigen pensioenvennootschap. De rechtbank wees dit verzoek toe en verbond daaraan een dwangsom van € 2.500 per dag als de DGA niet aan de veroordeling zou voldoen.

In hoger beroep voerde de DGA aan dat de pensioen-B.V. onvoldoende liquide middelen had om het bedrag af te storten. Uit de financiële stukken bleek echter dat in de jaren 2021 tot en met 2023 € 672.000 aan dividend in de pensioen-B.V. was gevloeid. Daarvan was vervolgens € 625.000 uitgeleend aan de holding van de DGA. Die holding beschikte over reserves van ongeveer € 9 miljoen.

Volgens het hof had de DGA het daarom zelf in de hand om de middelen voor de afstorting beschikbaar te maken. Zijn beroep op een gebrek aan liquiditeit ging niet op.

Wat betekent deze uitspraak voor DGA’s?

Een gebrek aan liquide middelen is niet zonder meer een reden om afstorting achterwege te laten. De DGA zal aannemelijk moeten maken dat de benodigde middelen niet kunnen worden vrijgemaakt zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Daarbij kijkt de rechter niet alleen naar het saldo van de pensioen-B.V. op het moment van de scheiding, maar ook naar de financiële positie van de onderneming en de geldstromen binnen het concern.

Het verplaatsen van geld biedt dan ook niet zomaar een uitweg. Als middelen vanuit de pensioen-B.V. zijn uitgeleend aan een holding die over ruime reserves beschikt, ligt het niet voor de hand dat de DGA zich vervolgens met succes op een lege kas kan beroepen. De manier waarop het liquiditeitstekort is ontstaan, kan juist tegen hem werken.

Overigens geldt dat, als er daadwerkelijk onvoldoende liquide middelen zijn om tot afstorting over te gaan, de aanspraak van de ex-partner niet definitief vervalt. Zodra de financiële positie van de onderneming dit toelaat, kan afstorting op een later moment alsnog aan de orde zijn.

Tot slot

Hoewel de opbouw van pensioen in eigen beheer in 2017 is beëindigd, zijn de gevolgen ervan nog altijd actueel. Zolang oude pensioenverplichtingen op de balans van BV’s staan, kan bij een echtscheiding een verplichting tot afstorting ontstaan.


Gerechtshof Amsterdam, 12 mei 2026: ECLI:NL:GHAMS:2026:1244

Meer weten over familierecht? Bekijk onze gespecialiseerde website met actuele informatie, blogs en advies.
👉 www.bvd-familierecht.nl

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie