Bas Hengstmengel

7 min.

Onlangs was in het nieuws dat de Renaissanceschool in Almere haar deuren opende. Deze school is opgericht door de Tocqueville Stichting, gelieerd aan Forum voor Democratie. De Renaissanceschool is feitelijk een doorstart van de eerdere Renaissanceschool, die het enige jaren geleden zonder overheidsfinanciering niet redde. Het nog beperkte leerlingenaantal van de huidige school leidt gemakkelijk tot enige hilariteit. Dat kan echter verbloemen dat er toch sprake is van een fundamentele ontwikkeling.

De (her)oprichting van deze school, nu mét overheidsbekostiging, is mogelijk gemaakt door de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen. Deze wet, die in werking is getreden op 1 augustus 2021, herziet fundamenteel de manier waarop nieuwe scholen in Nederland kunnen worden opgericht. De wet vervangt het oude systeem van richting-gebonden schoolstichting door een model gebaseerd op oudervoorkeur en pedagogisch-didactische visie. Daarmee geeft de wetgever invulling aan een al lang levende wens om het onderwijsbestel te moderniseren en nieuwe initiatieven meer kans te geven. Wat houdt dat in de praktijk in?

Kern van de verandering

Onder het oude stelsel kon een nieuwe school alleen worden opgericht als zij een erkende levensbeschouwelijke of onderwijskundige richting vertegenwoordigde: rooms-katholiek, protestants-christelijk of openbaar onderwijs, maar ook Montessori-, Dalton- of Jenaplan-onderwijs. De kern van dit systeem stamde nog uit de tijd van de schoolstrijd van de negentiende eeuw en gaf scholen met een religieuze of ideologische grondslag een bevoorrechte positie bij de stichting. Aan het begrip "richting" hing bovendien veel jurisprudentie, die de speelruimte voor nieuwe initiatieven feitelijk beperkte.

De nieuwe wet schrapt het richtingsvereiste als toegangspoort en vervangt het door een stelsel waarbij de vraag van ouders centraal staat. Een initiatiefnemer moet aantonen dat er in de regio voldoende belangstelling bestaat voor de nieuwe school, gemeten via een vooraf te doorlopen prognose- en belangstellingsmeting. De pedagogisch-didactische identiteit van de school (de voorkeur van ouders) bepaalt voortaan de grond voor stichting, niet de religieuze grondslag.

Nieuwe mogelijkheden

De wet opent de deur voor een bredere diversiteit aan scholen. Initiatieven die voorheen buiten de erkende richtingen vielen — zoals een school met een specifieke onderwijsmethode (Agora, Kunskapsskolan) of een school gericht op een bepaalde pedagogische visie buiten de erkende richtingen — kunnen nu langs de reguliere weg worden gesticht en aanspraak maken op bekostiging. Dat was voorheen alleen mogelijk via de omweg van een bestaande stichting of via de privaatschoolroute zonder rijksbekostiging.

Concreet biedt de wet de volgende mogelijkheden. Indien voldoende ouders dat wensen, kunnen nieuwe schoolconcepten volledig bekostigd van de grond komen. Ten tweede geeft de wet ruimte aan levensbeschouwelijke stromingen die voorheen niet als erkende richting werden beschouwd, zoals hindoe of humanistisch georiënteerde scholen. Ten derde verlaagt de wet de drempel voor particuliere of maatschappelijke initiatiefnemers om in te spelen op een lokale onderwijsbehoefte.

Daarmee ontstaat de mogelijkheid van een actiever en ‘responsiever’ onderwijsaanbod. Ouders die nu geen passende school voor hun kind vinden, kunnen een initiatief nemen of steunen dat werkelijk aansluit bij hun opvoedingsvisie. Dit vergroot de keuzevrijheid (grondrechtelijk verankerd in artikel 23 van de Grondwet) zonder die keuzevrijheid afhankelijk te maken van een religieuze of ideologische identiteit.

Voor het onderwijs als geheel biedt de wet ruimte voor vernieuwing. Scholen die experimenteren met gepersonaliseerd leren, heterogene klassen of een sterk internationaal profiel, kunnen nu structureel een plek krijgen in het bekostigde stelsel. Dat kan een prikkel zijn voor bestaande scholen om zich te ontwikkelen.

Risico's

Er kleven ook risico's aan de nieuwe systematiek. Het meest besproken risico is de mogelijke aantasting van de sociale cohesie. Wanneer ouders steeds meer de school kiezen die past bij hun specifieke levensstijl of pedagogische voorkeur, kan dit leiden tot verdere segregatie op sociaaleconomisch, levensbeschouwelijke of cultureel terrein. Critici wijzen erop dat de school juist een ontmoetingsplaats zou moeten zijn voor kinderen met verschillende achtergronden.

Een tweede risico is praktisch van aard: de prognose- en belangstellingsmeting als toetsingsmechanisme is complex en kostbaar voor initiatiefnemers. Kleinere of minder georganiseerde gemeenschappen, die mogelijk juist het meest baat hebben bij een alternatief schoolaanbod, kunnen moeite hebben om aan de vereiste drempels te voldoen. De praktijk zal moeten uitwijzen of de wet zijn belofte van meer toegankelijkheid ook voor deze groepen waarmaakt.

Ten slotte bestaat het risico van bestuurlijke versnippering. Meer scholen met een kleinere omvang kunnen leiden tot financiële kwetsbaarheid en kwaliteitsproblemen, in het bijzonder in krimpregio's waar de leerlingaantallen toch al onder druk staan. De wetgever heeft hiervoor waarborgen ingebouwd, maar de spanning tussen enerzijds diversiteit in het aanbod en anderzijds schaalefficiëntie blijft een structureel aandachtspunt.

Rol van de onderwijsinspectie

De Inspectie van het Onderwijs speelt een cruciale rol in het nieuwe stelsel, en die rol begint al vóórdat een school haar deuren opent. Onder de wet is de inspectie belast met de beoordeling van het door de initiatiefnemer ingediende onderwijskundig concept. Zij toetst of het concept voldoende uitgewerkt is, of het aansluit bij de wettelijke deugdelijkheidseisen en of de initiatiefnemer aannemelijk maakt dat de school in staat zal zijn kwalitatief onderwijs te verzorgen. Dit advies weegt mee in de beslissing van de minister om al dan niet bekostiging toe te kennen.

Na de start van de school houdt de inspectie toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen, net als bij bestaande scholen. Juist bij nieuwe scholen is dit toezicht van bijzonder belang: een jong schoolbestuur met weinig ervaring en een nog te ontwikkelen organisatiestructuur is kwetsbaarder voor kwaliteitsproblemen in de beginfase. De inspectie kan in die fase een 'vroegsignalerende’  functie vervullen en bijsturen voordat problemen escaleren. Tegelijkertijd roept de uitbreiding van het toezicht naar de voorfase vragen op over de onafhankelijkheid van de inspectie: wie zowel adviseert over de oprichting als later toezicht houdt op de kwaliteit, bevindt zich in een positie die zorgvuldige rolafbakening vereist.

Onderwijsdoelen en leerdoelen in het nieuwe stelsel

Onderwijsdoelen en leerdoelen spelen een dubbele rol in het stelsel dat de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen introduceert: zij fungeren als drempel bij de toelating van nieuwe scholen én als maatstaf voor het voortdurende toezicht daarna.

Bij de oprichting van een nieuwe school moet de initiatiefnemer een uitgewerkt onderwijskundig concept indienen. Daarin moet onder meer worden uiteengezet welke onderwijsdoelen de school nastreeft, hoe het curriculum is ingericht en op welke wijze de school leerlingen naar de wettelijk voorgeschreven kerndoelen en eindtermen begeleidt. Die wettelijke doelen zijn vastgelegd in de kerndoelen voor het primair onderwijs en de eindtermen voor het voortgezet onderwijs. Zij vormen een harde ondergrens. Hoezeer een school ook vernieuwend wil zijn in haar pedagogisch-didactische aanpak, zij blijft gehouden aan deze door de overheid vastgestelde leerresultaten. De vrijheid van inrichting die artikel 23 Grondwet biedt, heeft immers betrekking op de methode en de identiteit van de school, niet op de vrijheid om van de wettelijke inhoudelijke minimumeisen af te wijken.

Dit is een wezenlijk spanningspunt in het nieuwe stelsel. Juist de scholen die zich op grond van een vernieuwend onderwijsconcept willen onderscheiden zijn vaak ook de scholen die de grenzen van de bestaande kerndoelen willen opzoeken of verleggen, omdat zijn een fundamenteel andere onderwijsvisie kunnen hebben. De wet biedt daarvoor geen extra speelruimte: het stichten van een school op basis van een pedagogische voorkeur betekent niet dat de school haar eigen leerdoelen mag bepalen.

In dit spanningsveld treedt de onderwijsinspectie. Een bijzonder aandachtspunt is daarbij de verhouding tussen de pedagogisch-didactische vrijheid van de school en de meetbaarheid van leerresultaten. De inspectie werkt namelijk traditioneel met meetbare opbrengsten, zoals toetsscores, doorstroomcijfers, eindexamenresultaten. Deze worden gebruikt als indicatoren voor onderwijskwaliteit. Scholen met een sterk vernieuwend concept stellen soms dat hun doelen breder zijn dan wat in standaardtoetsen wordt gemeten. De inspectie heeft hiervoor enige ruimte in haar waarderingskader, maar de praktijk laat zien dat scholen die ver afwijken van gangbare didactische methoden het moeilijker hebben om op de inspectienormen te voldoen. Dit kan een remmend effect hebben op echte onderwijsvernieuwing, ook al beoogt de wet die vernieuwing juist te stimuleren. Dat vraagt van de onderwijsinspectie feitelijk om mee te bewegen met vernieuwende schoolconcepten.

Burgerschapsdoelen en de vrijheid van richting

Burgerschapsonderwijs neemt een bijzondere positie in binnen het stelsel dat de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen introduceert, en die positie is de afgelopen jaren alleen maar prominenter geworden. Sinds de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in 2021 (vrijwel gelijktijdig met de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) hebben scholen een expliciete wettelijke opdracht om actief burgerschap en sociale cohesie te bevorderen. Die opdracht is neergelegd in artikel 8 van de Wet op het primair onderwijs en het equivalent daarvan in de Wet op het voortgezet onderwijs.

De burgerschapsopdracht verplicht scholen om leerlingen kennis bij te brengen over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, hen vaardigheden aan te reiken om te participeren in een pluriforme samenleving en een houding te ontwikkelen die past bij actief democratisch burgerschap. Dit is geen vrijblijvende suggestie, maar een deugdelijkheidseis, een harde norm waaraan iedere bekostigde school moet voldoen, ongeacht haar grondslag of pedagogisch concept.

Juist in combinatie met de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen ontstaat hier een interessante spanning. De wet nodigt initiatiefnemers uit om scholen te stichten op basis van een eigen levensbeschouwelijke of pedagogisch-didactische voorkeur. Tegelijkertijd stelt de burgerschapsopdracht een inhoudelijke grens: die eigen identiteit mag niet leiden tot onderwijs dat haaks staat op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Een visie die bijvoorbeeld weinig ruimte laat voor wat wordt beschouwd als pluriformiteit of kritisch denken, kan in conflict komen met de burgerschapsnorm.

Dit spanningsveld is niet hypothetisch. De wetgever heeft bij de verduidelijking van de burgerschapsopdracht uitdrukkelijk voor ogen gehad dat de vrijheid van onderwijs onder artikel 23 Grondwet niet onbegrensd is. De identiteit van een school rechtvaardigt geen onderwijs dat leerlingen afschermt van wat als de basisprincipes van een open samenleving worden beschouwd. De burgerschapsopdracht fungeert in die zin als een constitutionele ondergrens die ook de vrijheid van nieuwe scholen begrenst.

Hier zit een andere, fundamentele spanning in het stelsel: de (breed opgevatte) levens- en wereldbeschouwing (inclusief mensvisie) die onvermijdelijk begrepen zit in de burgerschapsopdracht kan in botsing komen met de levens- en wereldbeschouwing die expliciet of impliciet wordt uitgedragen in een nieuwe school. Bij de al genoemde Renaissanceschool is dat bijvoorbeeld niet denkbeeldig. Nieuw is die spanning niet, want  in delen van het reformatorisch onderwijs wordt deze spanning al langer ervaren. Het nieuwe stelsel vergroot dit spanningspotentieel alleen maar. De onderwijsinspectie moet hier op eieren lopen, omdat niet alleen de  aanwezigheid van burgerschapsactiviteiten in het curriculum wordt getoetst, maar ook een veel minder grijpbaar fenomeen als de schoolcultuur als geheel onderwerp is van onderzoek: draagt de school in de praktijk bij aan de ontwikkeling van democratisch burgerschap? Kan de school aantonen dat zij leerlingen voorbereidt op deelname aan een pluriforme samenleving? Dit zijn vragen die verder gaan dan toetsscores en die de inspectie een aanzienlijke beoordelingsruimte geven, maar ook het risico van ideologische bias in zich bergen.

Burgerschapsdoelen als scharnierpunt

Burgerschapsdoelen vormen feitelijk een scharnierpunt tussen de twee centrale waarden die het nieuwe stelsel probeert te verzoenen: de vrijheid van onderwijs aan de ene kant en de collectieve verantwoordelijkheid voor sociale cohesie aan de andere. De wet geeft nieuwe scholen meer ruimte om hun eigen identiteit te kiezen, maar de burgerschapsopdracht zorgt ervoor dat die identiteit nooit volledig naar binnen gericht kan zijn. Het is precies op dit snijvlak dat de meest wezenlijke rechtsvragen over het nieuwe stelsel zich zullen concentreren en waar de inspectie een sleutelrol vervult als bewaker van de constitutionele ondergrens.

Conclusie

De Wet meer ruimte voor nieuwe scholen is een betekenisvolle aanpassing van het Nederlandse onderwijsbestel. Zij verschuift de grondslag voor schoolstichting van ideologische richting naar oudervoorkeur, wat nieuwe kansen biedt voor onderwijsinnovatie en keuzevrijheid. Tegelijkertijd vraagt de wet om waakzaamheid: de risico's van segregatie, ongelijke toegankelijkheid en bestuurlijke versnippering verdienen structurele aandacht van beleidsmakers, gemeenten en schoolbesturen. De onderwijsinspectie staat daarin centraal, als poortwachter bij de oprichting én als kwaliteitsbewaker daarna. En boven dit alles hangt de constitutionele vraag of het nieuwe stelsel recht doet aan de geest van artikel 23 Grondwet, een vraag die de komende jaren ongetwijfeld verder in de rechtspraktijk zal worden uitgevochten.

Hoeveel ruimte er echt is voor nieuwe scholen, met name voor scholen die (potentieel) ideologisch te ver afwijken van wat mainstream is, zal de toekomst leren. De (informele) banden tussen de Renaissanceschool en de politieke partij FvD leiden in ieder geval nu al tot een brede roep in politiek Den Haag om de regels aan te scherpen.

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie

Expertises