Jaco van den Brink
4 min.
Jaco van den Brink
4 min.
Op dit moment (tot 14 september 2026) loopt de internetconsultatie over het concept-Wetsvoorstel register continue screening funderend onderwijs.
De bedoeling van het wetsvoorstel is tweeledig. Allereerst wordt de verplichting voor onderwijswerkgevers om bij indiensttreding van personeel een VOG op te vragen, vervangen door een register voor continue screening. Bedoeling is dat iedereen die werkzaam is in het onderwijs, ingeschreven is in dat register. Dienst Justis houdt in de gaten of er van deze personen mutaties optreden in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS).
Wanneer er zo’n mutatie plaatsvindt, beoordeelt Justis of dat betekent dat dit (volgens de geldende VOG-voorwaarden) een belemmering kan zijn voor het werken in het onderwijs. Als dat het geval is, stuurt Justis hierover een kennisgeving aan DUO. DUO stuurt hierover een “urgent bericht” aan het bevoegd gezag, de inspectie en de betrokkene zelf. De betrokkene moet dan direct zijn of haar werkzaamheden staken en opnieuw een VOG aanvragen. Wordt die VOG dan niet toegekend, dan wordt de betrokkene uit het register gehaald en kan (voorlopig) niet meer werkzaam zijn in het onderwijs.
Tweede wijziging is dat de doelgroep nog enigszins wordt verbreed met bestuursleden, toezichthouders, stagairs en anderen die op een bepaalde manier op school werken.
Positieve punten uit het wetsvoorstel zijn natuurlijk de zorg om de veiligheid voor kinderen op school, en ook de vermindering van de administratieve last voor directies en schoolbesturen om telkens al die VOG’s te verzamelen en te registreren. En duidelijk mag zijn dat grensoverschrijdend gedrag absoluut onacceptabel is, zeker ook op school. Aandachtspunt bij het wetsvoorstel is de positie van de leraren en alle anderen die in het register moeten komen. De gevolgen zijn enorm wanneer Justis op enig moment mutaties aantreft die een belemmering kunnen zijn. Wellicht is het in veel gevallen inderdaad beter dat iemand dan uit het onderwijs vertrekt, maar er zullen er ook zijn waarbij dat niet nodig is en deze gevolgen disproportioneel zijn voor wat er aan de hand is.
Op 20 mei 2026 publiceerde de Landelijke Klachtencommissie (LKC) een advies over het afwijken van de uitkomst van de doorstroomtoets. De betreffende school had hiervan gemotiveerd afgeweken (dat kan wettelijk, art. 45d lid 2 Wpo), omdat de doorstroomtoets uitkwam op vmbo bb/kb, terwijl de school vanuit kennis van de leerling en diens leervermogen diverse redenen had om in het belang van die leerling vast te houden aan het schooladvies pro (praktijkonderwijs). De school had dit advies na ontvangst van het doorstroomresultaat grondig heroverwogen, daarbij diverse leerkrachten betrokken en een extra test afgenomen.
De LKC oordeelde dat dit advies (in afwijking van het doorstroomresultaat) zorgvuldig totstandgekomen was en deugdelijk onderbouwd.
Overigens zorgt het doorstroomresultaat soms ook voor verwarring doordat momenteel (nog) geen enkelvoudig resultaat ‘pro’ mogelijk is, maar altijd in de vorm van een ‘dakpanadvies’ pro/vmbo. Het is dan zeker mogelijk om als school het advies ‘pro’ te geven, maar in de praktijk wordt het advies vaak bijgesteld naar vmbo terwijl daarna op het vmbo blijkt dat pro een betere plek voor de leerling was geweest. In een motie in de Tweede Kamer d.d. 13 mei is opgeroepen om een enkelvoudig pro-advies uit de doorstroomtoets mogelijk te maken.
Een andere motie over kansengelijkheid en het praktijk- en beroepsonderwijs is overigens ook een vermelding waard, d.d. 10 juni 2026. Daarin wordt het kabinet gevraagd een visie te ontwikkelen op het praktijk- en beroepsonderwijs “die recht doet aan de veelzijdige kwaliteiten van leerlingen”.