Justin Klerk

Richard van Baalen

6 min.

Wanneer nutsbedrijven als Tennet gebruik willen maken van grond voor kabels, leidingen of hoogspanningsverbindingen, komt soms de gedoogplicht om de hoek kijken. Een gedoogplicht kan worden opgelegd aan een grondeigenaar zodat deze moet gedogen dat er gebruik gemaakt wordt van de (onder)grond voor het leggen van kabels en leidingen, of hoogspanningsverbindingen. Onder de Omgevingswet is dit instrument aan strenge regels gebonden. Uit twee recente uitspraken blijkt dat niet elke rechtbank daar op dezelfde manier mee omgaat.

Het toetsingskader: vier criteria plus een belangenafweging

Een gedoogplicht kan op grond van artikel 10.11 van de Omgevingswet alleen worden opgelegd als aan vier voorwaarden is voldaan:

  1. er moet gebruik worden gemaakt van de onroerende zaak voor een werk van algemeen belang;

  2. er is ondanks een redelijke poging geen schriftelijke overeenstemming bereikt;

  3. het gebruik wordt niet meer belemmerd dan nodig;

  4. de belangen van de rechthebbende vorderen redelijkerwijs geen onteigening.

Het voldoen aan deze vier criteria betekent niet automatisch dat de gedoogplicht mag worden opgelegd. Er moet daarna nog een bredere evenredigheidstoets plaatsvinden op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij ook belangen worden meegewogen die niet al doorslaggevend waren bij de vier afzonderlijke criteria. De rechtbank Rotterdam en de rechtbank Amsterdam oordelen wat dat betreft hetzelfde. Echter, deze beoordeling door deze rechtbanken valt heel anders uit, terwijl de feiten in belangrijke mate overeen komen.

Rotterdam: overheid wordt hetzelfde behandeld als een particulier

De rechtbank Rotterdam deed een interessante uitspraak op 31 juli 2026 in een zaak tussen het Havenbedrijf Rotterdam en de gemeente Rotterdam enerzijds en de minister van Infrastructuur en Waterstaat anderzijds (met Tennet als derde-partij). De rechtbank oordeelde dat het publiekrechtelijke belang van het Havenbedrijf en de gemeente, dat wil zeggen hun ‘regierol’ over de inrichting van de ondergrond, niet hoeft te worden meegewogen. De reden hiervoor is dat de gedoogplicht aan hen werd opgelegd in hun civielrechtelijke hoedanigheid, als eigenaar en pachter van de grond. De rechtbank vond hiervoor steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, waaruit volgt dat een overheidslichaam als grondeigenaar niet anders wordt behandeld dan een particuliere eigenaar. De beroepen werden ongegrond verklaard: Tennet kreeg haar zin en de gedoogplicht bleef in stand.

Amsterdam: bestuurlijke positie telt wél zwaar mee

De rechtbank Amsterdam oordeelde op 1 juli 2026 juist andersom, in een vrijwel identieke casus over twee hoogspanningsverbindingen op gemeentegrond. Omdat de gemeente Amsterdam gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en haar planologische keuzes al had vastgelegd in een bestemmingsplan, moest de minister die bijzondere positie wél expliciet in de afweging betrekken. Ook had de gemeente een minder verstrekkend alternatief aangedragen (een vergunning met een privaatrechtelijke overeenkomst en kettingbeding), waarvan niet bleek dat de minister dit had meegewogen. Dat was in dit geval niet gebeurd, ook niet na een eerdere tussenuitspraak waarin de minister de kans kreeg dit gebrek te herstellen, en het besluit werd uiteindelijk vernietigd wegens een motiveringsgebrek.

De rechtbank laat wel doorschemeren dat het oordeel anders uit had kunnen vallen wanneer de gemeente niet had meegewerkt aan de hoogspanningsverbinding, of als het een particuliere grondeigenaar was geweest. Dat de gemeente in de basis wilde meewerken aan de hoogspanningsverbindingen was duidelijk, omdat deze door de gemeente in het bestemmingsplan was toegestaan.

In de praktijk

Het verschil is dus niet zomaar theoretisch: bij vergelijkbare feiten komt de ene rechtbank tot een fundamenteel andere uitkomst dan de andere. De wetgeving is helder, maar de toepassing verschilt. Waarschijnlijk zullen uitspraken in de toekomst meer helderheid scheppen over hoe het publiekrechtelijke belang van een bestuursorgaan meegenomen moet worden bij het opleggen van gedoogplichten. Dat houden wij voor u in de gaten.

Wil een nutsbedrijf / overheidsorgaan een gedoogplicht aan u opleggen en vraagt u zich af wat u daarmee moet? Neem contact op met ons kantoor, wij helpen u graag verder.

Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 31 juli 2026: ECLI:NL:RBROT:2026:10871

uitspraak Rechtbank Amsterdam, 1 juli 2026: ECLI:NL:RBAMS:2026:7958

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie

Expertises