Esther Colijn-de Jong

Een earn-out is bij de koop of verkoop van een bedrijf vaak een slimme oplossing. Koper en verkoper spreken dan een vaste koopprijs af, met daarbovenop een nabetaling die afhankelijk is van toekomstige omzet, EBITDA of een andere prestatiemaatstaf. Op papier elegant, in de praktijk vaak een bron van discussie.

Dat is ook niet vreemd. Na closing ligt de dagelijkse aansturing meestal bij de koper, terwijl de verkoper financieel nog steeds belang heeft bij omzet, winst of groei. De recente rechtspraak laat zien dat earn-outgeschillen zelden worden beslist op basis van alleen een beroep op redelijkheid. Rechters kijken streng naar de tekst van de overeenkomst, maar minstens zo scherp naar wat er ná closing gebeurt.

Een earn-out staat of valt met de tekst van de overeenkomst

Bij earn-outgeschillen weegt de letter van het contract zwaar. Dat blijkt uit het arrest De Herder/Heinenoord van het gerechtshof Den Haag van 4 februari 2025.1 In die zaak was afgesproken dat een earn-out uiterlijk op 1 juni 2020 moest worden betaald, tenzij uit uiterlijk op 1 mei 2020 vastgestelde jaarrekeningen zou blijken dat een bepaalde omzet niet was gehaald. Die jaarrekeningen werden niet op tijd vastgesteld. Het hof oordeelde vervolgens dat de koper zich niet alsnog later op die uitzondering kon beroepen. De earn-out was dus verschuldigd, ook al bleek later dat de omzetdrempel feitelijk niet was gehaald. Volgens het hof woog mee dat het ging om professionele partijen die met adviseurs hadden onderhandeld. Juist dan telt de gekozen formulering zwaar.

Beleidsvrijheid van de koper is geen vrijbrief — maar ook geen resultaatsgarantie

Na een overname wil een koper meestal ruimte hebben om het bedrijf op zijn eigen manier te runnen. Dat is begrijpelijk, maar juist daar ontstaat vaak spanning. Beslissingen over investeringen, integratie, personeel of commerciële koers kunnen directe invloed hebben op de earn-out.

In de TKH-zaak uit 2024 was zelfs expliciet afgesproken dat de koper tijdens de earn-outperiode “volledige beleidsvrijheid” had.2 De rechtbank Overijssel nam die afspraak serieus. De verkoper kon er daarom niet zonder meer van uitgaan dat alle activiteiten zouden worden voortgezet of dat overal in zou worden geïnvesteerd. Tegelijk oordeelde de rechtbank wel dat bij een omzetafhankelijke earn-out een zekere inspanningsverplichting kan bestaan. Die verplichting is alleen niet onbeperkt: de inhoud ervan hangt af van wat partijen precies hebben afgesproken.

Die lijn zie je ook terug in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2025 over BHV Mobile/Medi-Select3. Ook daar werd erkend dat bij een earn-outregeling een inspanningsverplichting van de koper kan bestaan, zelfs als die niet expliciet in de overeenkomst staat. Toch kreeg de verkoper geen gelijk. Het hof vond dat onvoldoende concreet was uitgelegd welke verplichtingen precies golden, waarin de koper was tekortgeschoten en waarom de vereiste omzet bij ander handelen wel zou zijn gehaald. Verkoper komt er dus niet met alleen de stelling dat de koper zich “onvoldoende heeft ingespannen”.

Wie wél iets concreets opschrijft, staat ineens veel sterker

Dat blijkt uit de Amsterdamse uitspraak van 25 juni 2025 in Verschuren/Key Technology.4 Daar was in de SPA specifiek afgesproken dat prijsaanpassingen tijdens de earn-outperiode toestemming van de verkoper vereisten. De koper verhoogde de prijzen toch, zonder die toestemming te vragen. De rechtbank hield de koper strak aan die afspraak.

Dat de verkoper zijn toestemming niet onredelijk mocht weigeren, betekende niet dat de koper de toestemmingsvraag mocht overslaan. Juist die concrete contractuele afspraak gaf de verkoper een sterke positie. Voor de praktijk is dat een belangrijke les: hoe concreter de spelregels tijdens de earn-outperiode zijn vastgelegd, hoe kleiner de ruimte voor discussie achteraf.

Eén woord kan het verschil maken

Ook de Rotterdamse rechtbank liet in juli 2025 zien hoe tekstgevoelig earn-outgeschillen zijn.5 In die zaak stonden twee alternatieve nabetalingsmechanismen naast elkaar: een betaling bij het behalen van 40.000 actieve simkaarten en een hogere betaling als de onderneming binnen drie jaar voor minimaal € 6 miljoen zou worden verkocht. De rechtbank las de clausule zo dat de “simkaarten earn-out” alleen verviel als ook daadwerkelijk aan de voorwaarden voor de “aandelen earn-out” was voldaan. Dat oordeel hing sterk op het woord “daarmee” in de bepaling. Eén woord maakte daarbij het verschil.

Procedurele slordigheid kan fataal zijn

Ook procedurele slordigheid kan fataal zijn. Dat blijkt uit SPS/Regus bij het gerechtshof Amsterdam.6 In de SPA was nauwkeurig geregeld hoe earn-outstatements moesten worden betwist: binnen tien werkdagen en via een formele Dispute Notice. Omdat dat niet tijdig en niet op de voorgeschreven manier was gebeurd, werden de berekeningen bindend. Ook hier gold dus: niet alleen de inhoud van de regeling telt, maar ook de vraag of partijen de afgesproken procedure netjes volgen.

Drie lessen voor de M&A-praktijk/Wat betekent dit voor ondernemers?

De rode draad in deze uitspraken is helder: een earn-out is geen handige bijzin in de koopovereenkomst, maar een regeling die je zorgvuldig moet vormgeven. Wie een earn-out afspreekt, doet er daarom verstandig aan om in ieder geval drie dingen goed te regelen:

1. Regel niet alleen de formule, maar ook het gedrag na closing

Een earn-outregeling die alleen de berekeningsmethodiek vastlegt, is onvolledig. Leg concreet vast welke inspanningsverplichtingen de koper heeft gedurende de earn-outperiode: moet de bedrijfsvoering worden voortgezet, zijn prijsaanpassingen toegestaan, is toestemming van de verkoper vereist voor bepaalde besluiten?

2. Leg informatie- en bezwaarprocedures goed vast

Regel niet alleen hóe de earn-out wordt berekend, maar ook: wie stelt de berekening op, binnen welke termijn moet worden bezwaard, aan welke vormvereisten moet een bezwaar voldoen, en wat is het gevolg als die procedure niet wordt gevolgd?

3. Denk vooraf na over bewijs en causaliteit. Wie later wil stellen dat de earn-out is misgelopen, moet dat ook concreet kunnen onderbouwen.


---

1 Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:233

2 Rechtbank Overijssel 21 februari 2024, ECLI:NL: RBOVE:2024:937

3 Gerechtshof Amsterdam, 13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1266

4 Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4670

5 Rechtbank Rotterdam, 16 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8837

6 Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1425

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie