Feitencomplex
De feiten zijn als volgt. Een docente was al 25 jaar in dienst en had zelf jarenlang een niet-gemelde buitenechtelijke relatie met een collega-docent. In maart 2024 vertelde haar minderjarige dochter, die op dezelfde school leerling was, dat ook zij een seksuele relatie met deze collega had. Rond die onthulling verkeerde de dochter in een ernstige psychische crisis. De docente meldde ook deze relatie niet bij de school.
In maart 2025, vlak voor een buitenlandse schoolreis, kwam de docente erachter dat de relatie tussen haar dochter en de collega-docent was hervat. Na hem uitgesloten te hebben van de schoolreis, heeft hij onder druk van de docente beide relaties bij de schoolleiding gemeld. Hierop werd hij op staande voet ontslagen. Toen bleek dat de docente al langere tijd van de relatie tussen haar dochter en de collega wist en daarnaast zelf ook een relatie met hem had gehad, volgde ook voor haar ontslag op staande voet. Zij legde zich daar niet bij neer en stapte naar de kantonrechter.
Kantonrechter: ruimte voor de omstandigheden
De kantonrechter stelt voorop dat het niet melden van een intieme relatie tussen een docent en een minderjarige leerling in beginsel al snel een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Toch hield het ontslag geen stand. Doorslaggevend waren de uitzonderlijke omstandigheden waarin de docente verkeerde rondom de ernstige psychische toestand van haar dochter. De docente verklaarde gedurende langere tijd vrijwel onafgebroken voor haar dochter te hebben gezorgd en dat zij in die periode niet in staat was om helder te denken. De kantonrechter oordeelde daarom dat sprake was van zo’n uitzonderlijke situatie dat “het belang van de meldplicht heeft kunnen wijken voor het belang van de dochter.”
Hof: niet blindstaren op persoonlijke omstandigheden
Het hof kiest een duidelijk striktere benadering. Volgens het hof volgt uit de toepasselijke wet- en regelgeving “onmiskenbaar” dat de docente de relatie had moeten melden. Daarbij grijpt het hof terug op de bedoeling van de wetgever. De meldplicht is juist ingevoerd voor situaties waarin een personeelslid weet heeft van een mogelijk strafbaar feit, maar zich daar om welke reden dan ook niet mee wil bemoeien. Met de meldplicht heeft de wetgever dergelijke mogelijke dilemma’s bewust willen doorbreken.
Daarmee laat het hof slechts beperkt ruimte voor persoonlijke omstandigheden die de professionele verantwoordelijkheid kunnen vertroebelen. Alleen in uitzonderlijke (overmacht)situaties kan van de meldplicht worden afgeweken. Dat de betrokken leerling de eigen dochter van de docente was en dat zij zelf een affectieve relatie met dezelfde collega had, was daarvoor niet voldoende. Wel achtte het hof voorstelbaar dat de docente tijdens de acute crisis rond haar dochter tijdelijk niet of nauwelijks in staat was om aan haar meldplicht te voldoen. Doorslaggevend was echter dat zij daarmee ongeveer een jaar heeft gewacht. Naarmate de acute crisis afnam en zij haar werkzaamheden weer kon oppakken, had zij volgens het hof ook haar professionele verantwoordelijkheid weer moeten nemen. Het ontslag op staande voet hield daarom in hoger beroep wel stand.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De zaak maakt vooral duidelijk dat persoonlijke omstandigheden niet snel in de weg mogen staan aan de naleving van de meldplicht. Alleen in uitzonderlijke situaties kan daarvoor (tijdelijk) ruimte bestaan. Waar die grens precies ligt, werkt het hof niet verder uit. Wel kan geconcludeerd worden dat seksuele of intieme toenadering van een docent richting een minderjarige leerling in alle omstandigheden terecht in het (knal)rode gebied zit.
Dat neemt niet weg dat het in de praktijk lastig kan zijn om signalen juridisch te duiden. Volgens de regering beoordelen scholen in de praktijk vaak al voor het overleg met de vertrouwensinspecteur of sprake is van een redelijk vermoeden van een seksueel misdrijf, terwijl daarvoor niet de benodigde (strafrechtelijke) expertise extern wordt ingewonnen. Het inmiddels verworpen Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wilde de drempel voor melding en overleg daarom ook verlagen.
Tegelijkertijd hoeft de praktijk niet verder te worden gejuridiseerd dan nodig. De Raad van State wijst erop op dat een ruimere meldplicht ook kan leiden tot verkramping of zelfs wegkijken wanneer ook lichte signalen direct tot een formele melding en overleg verplichten. Dat kan ten koste gaan van het open gesprek over grenzen en ongewenst gedrag binnen de school, wat juist essentieel is voor een veilige schoolcultuur. Het is dan ook raadzaam om binnen scholen duidelijk in kaart te brengen bij welke signalen de meldroute in beeld komt en bij twijfel ruimte te bieden om deskundigheid in te schakelen. Op deze manier kunnen schoolleiders en onderwijsprofessionals geholpen worden scherp zicht te houden op hun professionele verantwoordelijkheid.
Rechtbank Gelderland, 29 augustus 2025: ECLI:NL:RBGEL:2025:7249
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 maart 2026: ECLI:NL:GHARL:2026:1714
Deze blog is geschreven door Anne Doorn, juridisch student-medewerker bij BVD advocaten